Het opwekken van energie door fossiele brandstoffen gaat gepaard met de uitstoot van broeikasgassen. En dat draagt bij tot de klimaatopwarming, dus beperken we die uitstoot maar beter zoveel mogelijk. Maar welk aandeel heeft je woning hier eigenlijk in?
In 2019 was de bouwsector in Europa verantwoordelijk voor 50% van het energieverbruik en 40% van de uitstoot van broeikasgassen zoals CO₂. Dat is een aanzienlijk deel. Niet alleen veroorzaakt dit veel uitstoot, het kost ons ook veel geld. Daarom is er steeds meer aandacht voor de energieprestatie van gebouwen.
Door je woning energiezuiniger te maken verlaag je je energieverbruik én de CO₂-uitstoot. Bovendien wordt het eenvoudiger om die lagere energiebehoefte te dekken met hernieuwbare energiebronnen in plaats van fossiele brandstoffen. Een win-win dus.
Door de energieprestatie van je gebouw te verbeteren, draag je dus niet alleen bij aan het klimaat, je bespaart ook op termijn en verhoogt de waarde van je woning. Daarnaast is het comfort en de woonkwaliteit in een energiezuinige woning vaak veel hoger dan in een woning die veel energie verbruikt.
Omdat onze woningen zoveel energie verbruiken is er regelgeving opgesteld. Europa wil dat alle woningen tegen 2050 klimaatneutraal zijn, zonder het gebruik van fossiele brandstoffen voor verwarming. In België vertaalde dit zich naar een renovatieverplichting.
Renovatieverplichting woningen:
Renovatieverplichting appartementen:
Het isoleren en luchtdicht maken van je woning verhoogt niet alleen het comfort, maar heeft ook de grootste impact op energiebesparing. De investeringen verdien je snel terug en je kan verschillende premies krijgen.
Wist je dat gemiddeld 26% van de warmte in een woning verloren gaat via de muren, 26% via het dak en 15% via de vloer? Goede isolatie zorgt niet alleen voor warmtebehoud in de winter, maar ook voor een koeler huis in de zomer. Isoleer dus voldoende. Maar isolatie alleen is niet genoeg. Je woning moet ook regen- en winddicht zijn aan de buitenkant en luchtdicht aan de binnenkant.
Bij een hellend dak zijn er drie belangrijke onderdelen. Het onderdak beschermt de isolatie tegen neerslag en wind van buitenaf. Het moet waterdicht zijn, maar toch waterdamp doorlaten als er vocht in de isolatie komt. Dan is er de isolatie zelf, die vaak tussen de kepers of spanten ligt en in twee lagen wordt geplaatst om onderbrekingen te voorkomen. Tot slot beschermt een dampremmende laag de isolatie tegen vocht van binnenuit.
Bij platte daken wordt de isolatie best boven op de draagstructuur geplaatst. Ook hier is een goed dampdicht dampscherm onder de isolatie noodzakelijk. Bij nieuwe muren hangt de isolatiemethode af van de opbouw (spouwmuren, volle muren met buitenisolatie of houtskeletwanden). Bij bestaande muren is buitenisolatie meestal de beste keuze. Spouwmuren navullen of binnenisolatie kan soms ook, maar een grondige analyse van de muren en het gebouw is dan eerst nodig. Overleg hierover met je architect of vraag advies bij een expert.
Bouwknopen of koudebruggen zijn plekken in de bouwschil waar warmteverlies kan optreden. Vaak door onderbrekingen in de isolatie, met schimmelvorming als bijkomend risico. Zorg daarom voor een goede aansluiting van de isolatie.
Bij renovaties vermijd je koudebruggen door al bij elke ingreep rekening te houden met werken die nog volgen. Bijvoorbeeld door de dakisolatie voldoende door te trekken bij een dakrenovatie, of door goed na te denken over de plaats en detaillering van nieuw schrijnwerk. Zo kan de muurisolatie netjes aansluiten op de dakisolatie en het schrijnwerk.
Ook andere plekken zoals balken boven ramen en deuren, dorpels, funderingsaansluitingen en doorlopende balkons tussen binnen en buiten, zijn gevoelig voor koudebruggen. Bouwknopen worden meegenomen in de berekening van het E-peil van een woning. Het is dus belangrijk om aandacht te besteden aan een koudebrugarme detaillering en een correcte uitvoering.
Tot wel 20% van de warmte gaat verloren via ramen en deuren. Kies daarom voor luchtdicht schrijnwerk om energieverlies te beperken. Let vooral op de aansluitingen tussen de vaste en opengaande delen van ramen en deuren, en bij de overgang naar de ruwbouw. Elk luchtlek is namelijk ook een energielek. Vaste ramen zijn het meest luchtdicht. Schuiframen zijn minder efficiënt, tenzij je kiest voor de (duurdere) luchtdichte profielen. Kantelramen en vouwdeuren zijn geen ideale keuze.
Je kan luchtlekken via kieren en spleten tegengaan met een luchtdichte afwerking, zoals binnenbepleistering op metselwerk, of door het gebruik van luchtdichte folie bij daken en houtskeletbouw. Zorg ervoor dat onderbrekingen, zoals stopcontacten, leidingen, en de overgangen naar schrijnwerk, vloeren en plafonds, luchtdicht worden afgewerkt met geschikte kleefband of folie. Vermijd onnodige openingen in het luchtscherm. Bij houtskeletbouw kan je een leidingenspouw gebruiken, wat later aanpassingen makkelijker maakt.
De luchtdichtheid van je woning kan je laten meten met een ‘blowerdoortest’. Hierbij wordt de woning in onder- of bovendruk gebracht om de luchtverliezen te meten. Het is aan te raden om deze test twee keer uit te voeren: een eerste keer zodra de woning wind- en waterdicht is, zodat eventuele fouten nog voor de afwerking kunnen worden hersteld, en een tweede keer na de voltooiing van de woning. Een goede luchtdichtheid levert je een aanzienlijk lager E-peil op.
Als je woning goed geïsoleerd en luchtdicht is, heb je een goede ventilatie nodig voor de afvoer van vervuilde lucht, geuren en vocht, en voor de aanvoer van verse lucht. De energieprestatie- en binnenklimaatregelgeving verplicht ventilatie bij nieuwbouw en grote verbouwingen. Ook zonder wettelijke verplichting is het altijd verstandig om je woning correct en voldoende te ventileren.
Er is een verschil tussen ventileren en verluchten. Verluchten doe je door ramen en deuren open te zetten en zo frisse lucht binnen te laten. Ventileren gebeurt via een geïntegreerd systeem in de woning. Dit systeem moet juist gedimensioneerd en goed zijn afgesteld zijn. Het moet de luchtkwaliteit in je huis optimaal houden.
Ventileren betekent dat vervuilde lucht wordt afgevoerd en tegelijkertijd verse buitenlucht wordt aangevoerd. De afvoer gebeurt in vochtige ruimtes, zoals badkamers, toiletten, wasbergingen en keukens. Zo verspreidt vochtige lucht zich niet door het huis, wat condensvorming kan veroorzaken. De toevoer van frisse lucht gebeurt in droge ruimtes, zoals de woonkamer, slaapkamers en studeerkamers.
De verse lucht stroomt door de woning, rechtstreeks van een droge ruimte naar een vochtige, of via doorgangsruimtes zoals gangen en traphallen. Dit kan door roosters in de binnendeuren of via een kleine opening onder de deur. Hoe groot de toevoer- en afvoeropeningen moeten zijn, kan worden berekend.
Er zijn vier ventilatiesystemen. Het basisprincipe is hetzelfde, maar ze verschillen in de manier waarop verse lucht wordt toegevoerd en vuile lucht wordt afgevoerd. Bij natuurlijke of vrije toevoer gaat de lucht via roosters in het raam of de muur naar binnen, en bij natuurlijke afvoer via verticale ventilatieschouwen naar buiten. Mechanische systemen gebruiken ventilatoren voor de toevoer of afvoer van lucht.
Sensoren kunnen de kwaliteit van de binnenlucht meten, bijvoorbeeld op basis van CO2-concentratie of luchtvochtigheid. Zo kunnen ze ook de aanwezigheid van personen detecteren en de ventilatie daarop afstemmen. Daardoor werkt het systeem efficiënter en wordt het binnenklimaat altijd optimaal gehouden. Bovendien verbruikt het minder energie. Fabrikanten geven vraaggestuurde ventilatie vaak aan met een ‘+’.
Warmtepomptechnologie recupereert warmte uit de afgevoerde ventilatielucht. Deze warmte kan dan opgeslagen worden in het sanitair warm water of opnieuw gebruikt worden om de binnenkomende lucht te verwarmen. Deze technologie is inzetbaar bij systeem C en systeem D. Ze vormt een interessante optie als systeem D niet mogelijk is in een verbouwing.
Als het in de zomer te warm wordt of de lucht in huis tijdelijk vervuild is, kan je ramen en deuren openen om frisse lucht binnen te laten. Zorg ervoor dat in elke ruimte minstens één raam geopend kan worden. Als je woning een ventilatiesysteem heeft, kan je dit ook gebruiken voor een meer intensieve ventilatie om ’s nachts meer koudere lucht door de woning te laten stromen. Dit noemen we nachtkoeling.
Een stabiele temperatuur in huis zorgt voor meer comfort. Met voldoende glasoppervlakte aan de zuidkant van de woning, kan je in de winter gebruikmaken van de zonnewarmte. Houd de noordkant zoveel mogelijk gesloten. Om in de zomer oververhitting te vermijden, moet je de zon ook kunnen buitenhouden. Dat doe je met buitenzonnewering voor ramen die naar het zuidoosten tot het zuidwesten gericht zijn. De zonnewarmte in de winter gebruiken heeft een positieve invloed op het E-peil. In de zomer wordt te veel zonnewarmte echter negatief verrekend.
Door materialen te gebruiken die warmte of koelte opslaan en geleidelijk afgeven, beperk je schommelingen in de temperatuur. Oververhitting van ruimtes onder lichte dakconstructies kan je met een koeldak of een groendak aanpakken. Een koeldak is bekleed met een reflecterend of lichtgekleurd materiaal. Een groendak gebruikt mossen of planten gebruikt om de warmte te verminderen.
Als je toch moet koelen, doe dat dan energiezuinig zonder airconditioning. Ventileer ’s nachts overvloedig. Door ramen aan verschillende kanten van de woning open te zetten, creëer je een verfrissende luchtstroom die de woning ‘s nachts afkoelt.
Verwarmen met fossiele brandstoffen stoot CO2 uit. Daarom worden stookolie en gas geleidelijk uitgefaseerd door de overheid. Als je nu verwarmt met gas of stookolie, is het verstandig om alvast naar alternatieven te kijken, zoals de warmtepomp.
Een warmtepomp haalt warmte uit de bodem, het grondwater of de buitenlucht. Het oppompen van deze warmte vraagt wel energie, maar de warmte zelf is gratis. Hierdoor ligt het energieverbruik en de CO2-uitstoot veel lager dan bij klassieke verwarmingssystemen, vooral in combinatie met zonne-energie om de nodige elektriciteit op te wekken.
De tool ‘Is uw woning warmtepompklaar?’ geeft een eerste indicatie of je woning geschikt is voor een warmtepomp.
Een energiezuinig ontworpen of verbouwde woning vraagt minder energie om comfortabel warm te blijven. Hoe kleiner het verschil tussen de brontemperatuur en de afgiftetemperatuur van je verwarmingssysteem, hoe minder elektriciteit de warmtepomp verbruikt. Het is dus belangrijk dat je huis niet veel warmte verliest. Goede isolatie en luchtdichtheid zijn hierbij cruciaal.
Bij bestaande woningen is dit soms minder evident. Laat daarom de isolatie van de vloer, het dak, de ramen en muren, en de luchtdichtheid van je woning controleren. Minstens twee van deze elementen moeten heel goed scoren (minimaal voldoen aan de eisen voor nieuwbouw) en één moet een gemiddelde score halen (met een U-waarde ≤ het dubbele van de nieuwbouweisen).
Voldoet jouw woning daaraan? Laat dan de warmteverliezen berekenen om te zien of je woning echt geschikt is voor een warmtepomp.
Nieuwbouwwoningen en woningen die grondig energetisch gerenoveerd zijn volgens de wettelijke normen, zijn altijd geschikt voor een efficiënte warmtepomp.
Een warmtepomp werkt alleen efficiënt als ze gekoppeld is aan een afgiftesysteem dat met lage temperatuur werkt. Denk hierbij aan vloerverwarming, wand- of plafondverwarming, of ventilo-convectoren of -radiatoren. Met deze systemen kan je je woning verwarmen met water van slechts 35°C. Gewone radiatoren of convectoren halen dat niet.
Heb je centrale verwarming? Dan kan je kiezen tussen een bodem-water- of een lucht-waterwarmtepomp. Heb je geen centrale verwarming (of niet in alle ruimtes) en wil je die ook niet installeren? Dan kan je kiezen voor één of meerdere lucht-luchtwarmtepompen om je woning of bepaalde kamers te verwarmen.
Een combiwarmtepomp verwarmt zowel je woning als je sanitair water. Dit kan met zowel een bodem-water- als een lucht-waterwarmtepomp. Je kan kiezen voor een combitoestel of een systeem dat enkel de woning verwarmt. Een lucht-luchtwarmtepomp kan geen sanitair water verwarmen, daarvoor heb je dan een apart toestel nodig, zoals een warmtepompboiler.
Laat je goed informeren over de verschillende warmtebronnen. Een studie naar de meest geschikte bron is essentieel om een comfortabele binnenomgeving te creëren. Denk ook na of je de warmtepomp wil gebruiken voor zowel verwarming als koeling, en voor het verwarmen van sanitair water.
Heb je centrale verwarming, maar is je woning of het afgiftesysteem nog niet geschikt voor verwarming op lage temperatuur? Dan is een efficiënte elektrische warmtepomp voorlopig geen optie.
Er zijn echter alternatieven die nog fossiele brandstoffen gebruiken. Een hybride warmtepomp, bijvoorbeeld, combineert een warmtepomp met een ketel. De ketel springt bij wanneer de buitentemperatuur laag is en zorgt ook voor de verwarming van sanitair water. Dit is een efficiënte tussenoplossing in afwachting van een grondige renovatie.
In sommige nieuwe wijken worden woningen aangesloten op een collectief systeem voor verwarming en warm water. Hierbij wordt vaak gebruikgemaakt van restwarmte van bijvoorbeeld industriële bedrijven of datacenters. Informeer bij je gemeente of er plannen zijn voor een warmtenet in je buurt.
Met een geothermische warmtepomp kan je je woning beperkt koelen. Dit gebeurt via het verwarmingscircuit, waarbij een circulatiepomp en warmtewisselaar de warmte uitwisselen met het geothermisch systeem. Je hebt enkel het energieverbruik van de circulatiepomp, zonder dat de compressor van de warmtepomp aan het werk moet. Een luchtwarmtepomp kan ook koelen, maar dan loopt het via de warmtepomp zelf, wat meer elektriciteit verbruikt, ook in de zomer.
Koeling wijst vaak op onvoldoende maatregelen tegen oververhitting, zoals het ontbreken van goede zonwering. Free-cooling werkt wel met vloerverwarming of ventilo-convectoren, maar niet met radiatoren.
Met een ventilatiesysteem D kan je de temperatuur in huis enkele graden verlagen. Het systeem heeft een zomer-bypass die ervoor zorgt dat er in de warme maanden geen warmterecuperatie plaatsvindt. Met een aardwarmtewisselaar wordt de verse lucht via een ondergrondse leiding aangezogen, waar de temperatuur constant tussen 10 en 15°C ligt. In de zomer wordt de aangevoerde lucht zo voorgekoeld. In de winter zorgt dit systeem voor een lichte opwarming, wat de efficiëntie van ventilatiesysteem D verbetert.
Op een ventilatiesysteem D kan je adiabatische koeling aansluiten. In deze extra unit op de uitgang van de ventilatie wordt water verneveld. Door verdamping daalt de temperatuur van de uitgaande lucht. In de warmtewisselaar van het systeem D zal deze afgekoelde uitgaande lucht de inkomende lucht nog verder in temperatuur doen dalen.
Let hierbij op waar de lucht wordt aangezogen. Als dat niet via een aardwarmtewisselaar gaat, kun je dat best niet boven een plat dak doen. Hier kan de temperatuur in de zomer flink oplopen (tot wel 65°C). Groendaken hebben hier minder last van, omdat ze de temperatuur beter regelen.
Je moet niet alleen je woning kunnen verwarmen, maar ook het sanitaire water. En dat het hele jaar rond, ook in de zomer. Dat biedt kansen om optimaal gebruik te maken van hernieuwbare energie. Hieronder vind je enkele mogelijkheden.
Gebruik je een warmtepomp voor je woningverwarming? Dan kun je diezelfde warmtepomp ook inzetten om sanitair warm water te produceren. Overdag maakt de warmtepomp een grote hoeveelheid warm water aan (200 à 300 liter), zodat je dit later op de dag kunt gebruiken. Dit gebeurt bij voorkeur wanneer er veel zonne-energie beschikbaar is en de buitentemperatuur hoog is. Door water als thermische batterij te gebruiken, maak je slim gebruik van energie en grondstoffen. Een thuisbatterij is voorlopig niet nodig.
Heb je geen centrale verwarming, of kun je nog geen volledige warmtepomp installeren die zowel voor verwarming als sanitair warm water zorgt? Dan kan een warmtepompboiler een goede oplossing zijn. Een warmtepompboiler is meestal een lucht-waterwarmtepomp die specifiek dient om sanitair water te verwarmen. Dit is een goede keuze als je de opwarming van sanitair water niet kunt koppelen aan je woningverwarming, bijvoorbeeld omdat:
Een warmtepompboiler is een energiezuinig alternatief voor een elektrische boiler. Heb je zonnepanelen? Dan kan een warmtepompboiler helpen om je zelfconsumptie te verhogen. Je toestel moet dan wel automatisch kunnen werken op basis van het beschikbare aanbod aan elektriciteit.
Een zonneboiler zet zonne-energie rechtstreeks om in sanitair warm water, zonder de omweg via elektriciteit. Hierdoor is het rendement erg hoog. Heb je al een warmtepomp? Dan is een zonneboiler minder nuttig, want op het moment dat de zonneboiler efficiënt werkt, produceren je zonnepanelen ook volop groene stroom. Die stroom kan je warmtepomp gebruiken om warm water te maken.
Iets anders om rekening mee te houden is dat een zonneboiler dan wel heel efficiënt is in het omzetten van zonne-energie in warm water, maar dat hij verder geen functie heeft. Bij een warmtepomp in combinatie met zonnepanelen kan je met de opgewekte elektriciteit van je zonnepanelen nog steeds alle kanten uit.
Kort samengevat: een warmtepomp(boiler) in combinatie met zonnepanelen vervangt de zonneboiler. Alleen als je heel veel sanitair warm water nodig hebt (een verwarmd zwembad of een gezin met meer dan zes mensen), kan een zonneboiler door zijn hoge efficiëntie handig zijn.
Kies voor toestellen die erg goed scoren op energieverbruik. Raadpleeg hiervoor het energielabel. Voor huishoudelijke wasmachines, was-droogcombinaties, televisies, computerschermen, koelapparaten, vaatwassers en verlichting is er sinds enkele jaren een nieuw energielabel van A tot G, herkenbaar aan de QR-code. Klasse A is het zuinigst, klasse G het minst zuinig.
Bij verlichting is niet alleen de energieklasse belangrijk, maar ook het verbruik in kWh per 1.000 branduren. Voor andere toestellen, zoals droogkasten, blijven de labels A+++ tot G bestaan. Kies hier voor A+++. Naast energieverbruik geeft het label ook informatie over het waterverbruik, vooral bij wasmachines, was-droogcombinaties en vaatwassers.
Voor droogkasten kies je best een gesloten condensatietype of een model op basis van een warmtepomp. Deze types hebben geen verbinding met buiten, waardoor de luchtdichtheid van je huis behouden blijft. Of nog beter: hang je was bij goed weer buiten. Je wasgoed ruikt heerlijk fris en het kost geen energie!
Nog enkele tips: hoe kleiner je koelkast of diepvriezer, hoe minder energie ze verbruiken. Vul de wasmachine maximaal, was op lage temperatuur of gebruik de ecostand om extra energie te besparen.
Bepaalde toestellen, zoals koelkasten, blijven voortdurend ingeschakeld. Andere apparaten lijken uitgeschakeld, maar verbruiken nog steeds stroom in stand-by modus. Zelfs kleine lichtjes op displays kosten energie. Schakel toestellen daarom volledig uit of gebruik een stekkerblok met schakelaar.
Door passieve zonnewinsten daalt je energieverbruik voor verwarming. Veel daglicht in huis betekent ook minder kunstlicht en dus een lagere energiefactuur. Plaats daarom ruimtes die veel licht nodig hebben, zoals de leefruimte en keuken, zoveel mogelijk langs de buitengevels. Ook het gebruik van kleur en structuur is belangrijk, zo reflecteren lichte kleuren beter dan donkere.
Je kan het elektriciteitsverbruik voor verlichting sterk verminderen met energiezuinige lampen, reflecterende armaturen, dimmers, afwezigheidsdetectie en daglichtsensoren. Maak al in de ontwerpfase een lichtplan, zodat je later geen ingrijpende (beton)boringen hoeft te doen om verlichting op de juiste plaats te krijgen.
Met fotovoltaïsche zonnepanelen kan je zelf stroom opwekken. Je installeert ze op een stevig, plat of hellend dak met een goede oriëntatie. Zelfconsumptie is daarbij belangrijk: probeer de opgewekte stroom meteen te gebruiken, bijvoorbeeld door toestellen zoals een elektrische wagen of warmtepomp aan te sturen op momenten dat er zonne-energie is. Een energiemanagementsysteem (EMS) in de vorm van een app of apparaatje kan je hierbij helpen.
Ook een thuisbatterij kan nuttig zijn. Wanneer je zonnepanelen geen stroom produceren, kan je energie uit je batterij halen in plaats van het net. Hou er wel rekening mee dat batterijen nog duur zijn en een grote milieu-impact hebben. Probeer daarom eerst op andere manieren je zelfconsumptie te verhogen.
Vermijd pieken in je elektriciteitsverbruik, want een deel van de nettarieven wordt aangerekend op basis van het piekverbruik. Het is dus slim om je verbruik te spreiden, vooral bij grootverbruikers zoals een elektrische wagen of warmtepomp.